|
Marjolijn Februari
De waarde van doodzonden
Ik heb wel eens gehoord dat in de louche autohandel alles draait om vertrouwen. Handelaars in heel oude auto's hebben nu eenmaal geen tijd voor uitgebreide keuringen. Dus schopt de koper eens flink tegen alle vier de banden, geeft een ferme klap op de kofferbak en op de motorkap, en als dat allemaal zonder ongelukken is afgehandeld, is de auto goedgekeurd. Ondanks de risico's van deze methode hoeft de koper nooit bang te zijn dat hij voor eeuwig zit opgescheept met een reddeloos wrak. Het hele systeem berust namelijk op het vertrouwen dat hij diezelfde auto meteen weer kan doorverkopen aan een ander - die immers ook alleen tegen de banden zal schoppen en voor de vorm op de kofferbak zal slaan. In het kort leert de autohandel ons hiermee veel over waarde. Het kan best zijn dat kieskeurige mensen van een auto verlangen dat hij het doet, maar handelaren stellen andere eisen. Voor hen heeft een auto waarde als je zonder al te veel schade tegen zijn banden kunt schoppen. Er is dus niet één vaste standaard, er zijn verschillende standaards om de waarde van auto's te bepalen. En hieraan dacht ik, aan waarde en aan standaards, omdat ik op nieuwjaarsdag wilde weten hoe het oude Engelse geldstelsel precies in elkaar zat. Gelukkig herinnerde ik me dat ik ooit een beschrijving daarvan had gelezen in een tekst over God. Op de onderste plank van mijn boekenkast vond ik na enig zoeken de groezelige kopie terug uit het tijdschrift Religious Studies waarin een zekere Patterson Brown in 1967 uitlegde dat er twaalf pence passen in een shilling: 'two shillings to the florin, five shillings to the crown, twenty shillings to the pound, and twenty-one shillings to the guinea.' En vervolgens liet Patterson Brown zien wat de relatie is tussen zo'n monetair systeem en het bestaan van God. De betekenis van monetaire termen kunnen we opzoeken in het woordenboek, schreef Patterson Brown, en zo komen we op het spoor van de kruisverbanden tussen de woorden: vijf shillings zijn evenveel waard als één crown. Maar daarmee weten we nog niet wat de woorden waard zijn in de praktijk. De toepassing van woorden als shilling en crown hangt af van de waarde van het Engelse pond - en die waarde vinden we niet in het woordenboek, die wordt tamelijk willekeurig vastgesteld door de overheid. In 1967 was de waarde van het pond nog '.08 oz. of gold', maar er zouden in de toekomst wel eens economische redenen kunnen zijn om van die standaard af te wijken, overwoog Patterson Brown. Nu naderden we langzaam maar zeker tot God. Het artikel stapte van geld over op moraal: morele termen lijken op monetaire termen, stond er, omdat we op zoek naar moraal ook voortdurend blijven bladeren in het woordenboek. Je vind in het woordenboek kruisverbanden tussen deugd, verplichting, rechtvaardigheid, kwaad, goed en prijzenswaardigheid - maar je vindt er geen standaard die je vertelt hoe je die woorden moet gebruiken. Die standaard bevindt zich buiten het woordenboek, en die standaard, zei Patterson Brown, is God. In 1967 was God dus de standaard voor het goede en goud was de standaard voor het pond. Maar de wereld stond te veranderen. In hetzelfde jaar nog werd de standaardmeter in Parijs definitief afgedankt als standaard voor de meter. Het pond devalueerde van 2,48828 tot 2,13281 gram goud in november. En ook al kon Patterson Brown deze veranderingen niet meer in zijn artikel verwerken, de geschiedenis had hem al wel geleerd dat marxisten, hedonisten en atheïsten afweken van zijn eigen standaard voor het goede. En dat was verontrustend: 'Alas', schreef hij, 'het blijkt veel gemakkelijker voor de mens om overeenstemming te bereiken over een monetaire standaard dan over een morele standaard.' Nu, vijfendertig jaar later, is er nog steeds onenigheid over de morele standaard. En die strijd speelt zich nog steeds af buiten het woordenboek, want over de betekenis van morele termen zijn we het gauw met elkaar eens: ook in het derde millennium is deugd volgens alle woordenboeken ter wereld prijzenswaardig en is het kwaad overal slecht. We mogen zelfs aannemen dat Osama bin Laden met een woordenboek in de hand net zo'n vurig pleitbezorger is van menselijke waardigheid als de Verenigde Naties en de paus. De vraag is alleen: wat kopen we ervoor? Je zou kunnen zeggen dat deugden en ondeugden de pasmunten zijn van de moraal; maar bij gebrek aan een universele standaard kan hun waarde in de praktijk behoorlijk fluctueren. In een levendige musical over de zeven doodzonden, Die sieben Todsünden der Kleinbürger, haalde Bertolt Brecht een wisseltruc uit, zodat zonden als luiheid en vraatzucht plotseling veranderden in deugden als naastenliefde en dapperheid. Is het immers niet deugdzaam om lui te zijn, suggereerde hij, wanneer je voor de taak staat iemand te chanteren? En is de zonde van de toorn niet juist een deugd wanneer je in woede ontsteekt over onrecht? Alles schoof en schiftte in deze moraliteit van Brecht. De burgers uit Louisiana die hun dochters tot anorexia dreven met een pleidooi tegen zondige vraatzucht - Sie wollen keine Nilpferde in Philadelphia - beschouwden zichzelf als hoeders van de deugd. Maar de ergernis over de zonden van hun dochters ging volgens Brecht juist in tegen de deugd van de zorgzaamheid, en het fatsoen van de kleinburgerij liet zich van de weeromstuit kennen als onfatsoen. Het afgelopen jaar overdenkend, nam ik me voor dit nieuwe jaar te beginnen met een korte serie over de deugd. Ik aarzelde alleen een moment toen ik me realiseerde dat ik dan, bij gebrek aan een universele standaard, persoonlijke meningen zou moeten geven over liefde en hoop. Terwijl ik juist in de krant had gelezen dat het 'de taak van intellectuelen' is 'van begin af aan boven het sentiment te staan'. En 's avonds had Mary Poppins het op de televisie ook nog eens gezegd: 'Practically perfect people never permit sentiment to muddle their thinking.' Maar goed, bedacht ik, alles welbeschouwd ben ik niet 'practically perfect', en om een of andere reden stelde dat me gerust.
(Eerder gepubliceerd in de Volkskrant, 5 januari 2002) < terug naar overzicht
|