|
Kees van Beijnum
Is hij nog altijd de gevoelige, reflectieve jongen die over sommige zaken diep heeft nagedacht en steeds opnieuw teleurgesteld is omdat zijn moeder maar niet tot dezelfde inzichten als hij wil komen? Het woord ‘moordenaar’ had heel wat aangericht. Een slanke, glimlachende, ietwat verlegen jongeman in een zwarte trui en spijkerbroek veranderde in een onberekenbare figuur. Zijn tengere, welgevormde handen veranderden in de wrede werktuigen die een meisje hadden gedood. Zijn stem, zijn blik, zijn loop, zelfs herinneringen aan hem, bepaalde voorvallen en woorden uit het verleden, kwamen in een ander licht te staan. Raskolnikov, man met bijl. Een leven lang ben je beducht voor hetgeen jou en de jouwen kan overkomen, wat je aangedaan kan worden door anderen. Bedrog, diefstal, brandstichting, geweld, van verkrachting tot moord. Maar nooit houd je rekening met de mogelijkheid dat je deel uitmaakt van het andere kamp. Moeder van een moordenaar was een onbekend denkpad. Hij is mijn zoon niet meer, had ze gedacht toen ze voor het eerst besefte dat hij werkelijk gedaan had wat hem ten laste was gelegd. Maar dat was een misvatting: er bestaat voor haar geen leven zonder dat ze zijn moeder is. ‘Wat doet het eigenlijk met je, dat mediteren?’ vraagt ze. Ze heeft geen idee waarom ze erop terugkomt, het is een terrein dat haar niet interesseert, allang niet meer. ‘Het voelt als een soort zuivering.’ ‘Zuivering van wat?’ ‘Je bevrijdt je van het materiële, alles wat zich voortdurend aan je opdringt, de ruis, de troep.’ Een alcoholvrij transportmiddel naar punt nul, zo had ze zich het ooit voorgesteld, naar de plaats waar je er niet ‘was’, gedachteloos, lichaamloos. Zintuiglijke onthechting - maar met behoud van een goed humeur. Die voorstelling van zaken had haar destijds aangesproken: het effect van tweeënhalve fles Macon, zonder de motorische storingen, zonder de hoofdpijn achteraf. Al snel begreep ze dat je het niet cadeau kreeg, je moest je openstellen, je moest erin gelóven. En bovendien iets geiterigs en onbestemds over je hebben. Wat zij niet had. ‘Het valt niet mee om er iets zinnigs over te zeggen,’ gaat hij verder. ‘Het is net als met muziek, je kunt luisteren naar iets wat mooi is, maar je kunt het niet beredeneren. Alles wat je erover zegt is hol, betekenisloos.’ ‘Muziek?’ zegt ze. ‘Ja. Het is zoiets als naar Mahler luisteren, maar op een ander niveau.’ Hij weet dat zij van Mahler houdt. ‘Hoger?’ vraagt ze. ‘Onuitputtelijker.’ ‘Zo te horen heeft het je heel wat opgeleverd.’ Hij staart haar aan met ogen die bijna zwart lijken. ‘Het komt over, mocht je daar soms aan twijfelen.’ Ze steekt het licht aan. ‘Wat?’ ‘Je verachting, je teleurstelling om alles wat ik ben.’ Hij zegt het opvallend kalm, een mededeling, een constatering. ‘Niet om alles.’ ‘Wel waar.’ Hij heeft ongelijk als hij denkt dat zij hem veracht. Dat is niet zo. Wat ze wil is hem kwetsen, provoceren, een reactie ontlokken. De vraag is welke reactie. Moet hij aan haar voeten vallen, op zijn knieën tranen plengen van berouw, zoals ze haar personages in Waterland College zou opleggen? Zweer het kwaad af en smeek om vergiffenis. Hij heeft er nooit een woord aan gewijd. Noch in de drie korte brieven die hij haar uit de gevangenis schreef, noch in de gesprekken, telefonisch of vis à vis, twee maal, tijdens het bezoekuur. Wat moet ze daaruit opmaken? Verwacht hij van haar dat ze naast hem zijn daad te vergeven ook de schuldige feiten vergeet, zoals de oudtestamentische God doet? ‘Als je het niet erg vindt ga ik een uurtje aan het werk,’ zegt ze. ‘Ik zit nogal krap in mijn tijd voor dat script.’ ‘Laat je door mij niet ophouden,’ zegt hij met een monotone stem, alsof hij iets uit het telefoonboek voorleest. ‘Ik moet een paar dingen opschrijven voor ik ze vergeet, het duurt niet lang.’ ‘Geen enkel probleem.’ ‘Heb je al honger?’ Hij schudt het hoofd. ‘Ik kan even bellen, dan laten we wat brengen.’ ‘Ik heb geen trek.’
|