< terug naar overzicht

 

Robert Anker

 

HET GELUKKIGE RESTAURANT

 

Ik was net even pissen. Weet je. In het gelukkige restaurant. We hadden daar een gelukkige tafel die overtrokken was met wit damast. Bevlekt, natuurlijk. Er slaat wel eens een hand op tafel zodat het glas schrikt en omvalt. Gelukkige verstoring van de conversatie – kan dat? Jawel, dat kan, daar is de conversatie voor bedoeld, conversatie is ruis – de ruis van het geluk. Ik stond op, schoof met mijn knieholtes de stoel achteruit, greep mijn servet in zijn nekvel en bette onnodig mijn mond. Toespraak? Welnee gekkie, even pissen. Wie van tafel opstaat krijgt een ander perspectief. Hij ziet zijn vrienden en vriendinnen, zijn drukke genoten, als een bij-elkaar-zijn, als een gisting die nu opstijgt tot geluk dat aan de slapen klopt, dat hij nu meedraagt het restaurant door en dat zich zo dadelijk zal ophopen in zijn achterhoofd wanneer hij zijn water laat klateren. Had hij toen al het gevoel dat de seconden zich verlengden tot minuten en de minuten tot uren of heeft deze uitrekking zich pas achteraf in zijn herinnering genesteld als ervaring?

         Wat is het weer druk vanavond! De jongens en de meisjes in hun lange witte voorschoten reppen zich, de armen onbegrijpelijk volgetast met borden en schalen. Breed lachend en vol verwachting kijken de gasten op uit hun conversatie, trekken hun servetten op schoot en herschikken het bestek. Bij een andere tafel ziet een ober keurend rond terwijl hij de fles met het mooie bouquet ontkurkt. Achter de bar begint de koffiemachine luidruchtig aan zijn noodzakelijke taak de koffie te malen, twee kopjes te vullen alsmede een kannetje met melk vol sissende stoom te persen. Het is een slecht begrepen taak omdat het gesprek onderbroken wordt maar wie aandachtig is zal opmerken dat het vacuüm zich volzuigt met geluk. Fijne muziek vult mijn oren als ik op een hoek van de bar even inhoudt om de serveerster te laten passeren - met haar lieve glimlach! - en daar verschijnt schuin boven mijn voorhoofd het gezicht van mijn moeder die al weer jaren dood is, en het gezicht is van nog veel langer geleden, nu ja, het is natuurlijk haar psychische gezicht dat mijn kleinejongensgevoel bijstaat, dat zich over de kleurplaat buigt waar de linkerarm omheen gebogen is. Wat een aandacht! Schaterend lachen rolt door de zaal van het restaurant, van gindse tafel, waar het licht zich goudgeel over de vrolijke hoofden heeft uitgeschud. Overal pinken de kaarsen op het witte damast. Ik ruik tijm, koffie en sigarenrook, ik meen zelfs calvados te ruiken. Mijn hak wiebelt in de volle polen van het tapijt. Zo jongens, zeg ik handenwrijvend, zo jongens. Waden is het wat ik hier doe op weg naar de toiletten, voorbij die kroonluchter daar, de deur in de eikenhouten lambrisering die ik openduw naar een witte betegeling afgebiesd met zwart, het opgewonden zoemen van de handendroger, het wilde ruisen van een zich lozende en zich weer vullende stortbak, dichtslaande deuren, urinoirs die na een klik beginnen door te spoelen en waar ik aantreed om te pissen, met mijn kin omhoog, waar ik voel hoe het geluk zich in mijn achterhoofd samenbalt en uitstraalt naar mijn rug die het bruisende restaurant achter zich houdt en mij even toestaat in kortstondige eenzaamheid te verinnerlijken in de ziel van het leven.

         Heb ik ook de stilte niet gehoord die inmiddels was ingetreden? Ik duwde de deur open en trof alleen maar onherkenbaarheid die mij als een natte lap in het gezicht veegde. Alle mensen waren verdwenen, de tafels verkeerden in een staat van halve afgeruimdheid, omgevallen flessen en glazen, weggetrapte en omgevallen stoelen, asbakken op de grond, her en der gedoofde lichten en nog een paar flakkerende kaarsen, de luchtstroom weerstrevend die door de geopende en ingegooide ramen langs de schommelende gordijnen naar binnen drong, en terwijl ik minder en minder het aanzwellende ruisen kon ontwijken dat uit de boxen kwam, als van een leeg kanaal op de televisie, had ik toch nog enige tijd nodig om te begrijpen dat ik dood was.