Fleur Bourgonje

 

 

Amsterdam

 

 

Weer varen boten langs het raam.

Ze zijn met vingertoppen te raken, varen veilig

van eeuw naar eeuw recht op de haven aan.

Een hoge stem zegt het ontstaan in drie talen, zo en niet anders

is het gegaan met specerijen en slaven, de vrouwen stonden klaar

onder hun fluwelen rokken en de mannen takelden liefde

 

liefde naar boven, stouwden hun zolders vol

met gewin en graan. Weer varen boten langs mijn raam

raken mijn vingertoppen de alledaagse dingen

en strijken ze glad, strelen het verleden: vaal-

geworden vergezichten, zelfportretten

in clair-obscur, herinneringen -

 

Paard dat draafde maar nu op stal staat te wachten

tot het voorbij is, de winter, tot

uit harde grond gras opnieuw groeit,

zwaar wordt, snijdt.

Roerloze reiger. Vogel

die vis vangt. Vrouw

 

die met vuur in haar handen loopt

tot het dooft maar het steeds weer aanjaagt

met woorden. Een meer

waar laat licht over glijdt.

Tot het vervaagt.

Tot het slijt.

  

Uit:Sintering, Atlas, Amsterdam 2000