|
H.C. ten Berge
L'AGE D'HOMME
Er is een tijd waarin je alles wilt
en niets vermag.
Tijd houdt nog een vinger aan de lippen
of breekt los in onbeschaamd gelach.
Verkwist, benut, betwist,
verschijnt hij ons in
wisselende gewaden
Die passé zijn eer de pols gevoeld,
de slagen van het
hart geteld.
De tijd verjaart haast elke dag,
zijn vraatzucht reikt
voorbij de verste dorpen.
Altijd in opspraak en eeuwig
behept met zoiets als
versterf,
Laat hij ons gal en ruimhartig
de sporen van dood en
bederf.
Lees ze terug, teer op de voedzame resten.
Daal in tot de bron
waar (vlug
Als het weerlicht boven de wateren)
de tijd zich
ontlaadde, het leven
Zonnig en wreed als de aarde eensklaps begon.
|